KWS
á á
á

De introductie van de ma´sanalizer

De Maisanalizer « van KWS

DÚ nieuwe en enige juiste basis voor rassenselectie en rassenkeuze van silomais!

De nieuwe proefveldresultaten zijn er. Weer zullen er nieuwe lijsten en boekjes verschijnen met de aanwijzing van deá topmaisrassen voor het nieuwe teeltseizoen. Iedere lijst zijn eigen topper voor de zelfde streek, dezelfde maisteler...hetzelfde perceel...dezelfde koe.

Dat is de expressie van de situatie waarin we verkeren. Blijkbaar kijken we niet allemaal door de zelfde bril naar de mais of gaat het evaluatiesysteem mank en zitten er grote fouten in waardoor de beste te zijn niet een kwestie is van kwaliteit maar van geluk. Daarbij is het de vraag of die rassen die aan de kant worden gezet niet de beste zijn voor de praktiserende maisteler.

á

De economische bril (en de emoties) van de maisteler...

Wanneer aan de maisteler gevraagd wordt welk maisras voor hem de beste is, krijgt men te horen : ‘Die met veel kolf’ (diegene die aan de ervaring met de productie van zijn vee denkt), of : ‘Die met veel massa’ (diegene die emotioneel volume wil zien), of : ‘Die met de beste cijfers’ (diegene die op zeker willen spelen), of in andere gevallen : ‘dat vraag ik aan mijn leverancier’, of als laatsteá voor diegene die zich focust op zijn vee : ‘de goedkoopste’.

Als het aan de loonwerker gevraagd wordt, dan is het de mais die blijft staan als die afrijpt of een mais met voldoende officiele cijfers (de eigen zekerheidstelling naaar zijn klant) of een mais die tevreden klanten geeft (al is het op ervaring).

Als het aan de handelaar of de leverancier van de maiszaden gevraagd wordt dan komt hij meestal terug op de argumenten van zijn klanten of met een specifiek argument passend bij de regio, regionale ervaringen of specifieke voedertechnische aspekten. Tussen de regels door kan er gelezen worden wat hij er aan kan verdienen.

á

Wat werkelijk telt en wat niet telt voor de portemonee van de teler is er vaak moeilijk uit te krijgen. De marktprijs, bepaald op basis van gewogen en gekwalificeerd product en/of het resultaat in de vorm van melk- en/of vleesproductie van het vee geven wel antwoord.

á

Voederwaardeopbrengst of de marktwaarde voor de voederwaardeopbrengst zijn de sleutelbegrippen voor het economische rendament van mais. De vraag is dan ook hoe we werkelijke voederwaarde bepalen.

Er worden verschillende systemen gehanteerd om de voederwaarde in te schatten. De ene staat korter bij de realiteit die koe heet dan de andere.

De verteerbaarheid volgens het systeem Tilly en Terry is een veel gebruikt systeem. Echter, bij het systeem moeten de nodige vragen bij gesteld worden.

Bijvoorbeeld, wordt de potentiele verteerbaarheid of de werkelijke verteerbaarheid gemeten.

Uit proeven komt naar voren dat op blacklayer rijpheids stadium van de maisplant, de verteerbaarheid van de celwanden bij 48 uur (fijn vermalen in penssap)á +/- 55 % is. Bij 24 uur komt dat op +/- 33%.. En bij 15 uur....?

In de praktijk hebben we te maken met koeien die het niet vermalen binnen krijgen en waar het mogelijk 10 tot 15 uur in het maagdarmkanaal verblijft.

Een groot gedeelte is na een paar uur al de koe weer uit.

Verder is zetmeel voor +/- 100 % verteerbaar en levert iedere verteerde kilogramá netto energie.

De celwanden die misschien in praktijk voor 20 of 25% verteerbaar zijn hebben per kilogram verteerde hoeveelheid dan een netto energiewaarde van +/-60 % in relatie tot de 100 % voor zetmeel. Conclusie: een kg zetmeel is energetisch tot wel 5 keer zoveel waard als 1kg celwanden bij blacklayer rijpheid.

Daarbij is de vorm van de celwanden dermate (20% ds) dat ze moeilijk zijn op te slaan en veel geld kosten voor transport en opslag.

Vandaar dat de focus op zetmeelopbrengst per hectare als expressie voor financiele opbrengst.

á

De zetmeelopbrengst per hectare en het zetmeelgehalte zijn sterk afhankelijk van de rijpheid van het gewas en van de genetische achtergrond van het betreffende ras. Sommige rassen beginnen vroeg met de korrelvulling en andere laat.

Op het moment dat de blacklayer van de korrel bereikt is, is de maximale zetmeelproductie behaald. De korrel is dan gevuld....’de navelstreng verbroken’...en de korrel van de plant afgesloten. De maximale zetmeelopbrengst en het optimale zetmeelgehalte is dan aanwezig. De plant is dan fysiologisch rijp. Het optimale tijdstip voor de oogst als silomais is dan bereikt (vermits de plant nog groen genoeg is om zonder broei en schimmelproblemen in te kunnen kuilen). Dit geldt dus alleen voor de gezonde Stay-green maisrassen.

In andere gevallen bepalen de afsterving van stengel en blad het meest gewenste oogsttijdstip. Deze mag niet boven de 24% ds komen. Anders bestaat er kans op inkuilproblemen.

á

De proefveldwerking ....De rassenevaluatie en rassenkeuze...

á

De huidige lijsten van de evaluatie van maisrassen als silomais zijn misleidend en hebben geen waarde voor de praktijk. Uit 10 jaar onderzoek naar afrijpings- karakteristieken vertaald in de bekende Maisorama’s blijken vermeende verschillen niet het resultaat te zijn van rasverschillen maar van verschillen in rijpheid bij de oogst. Tijdens de afrijping vindt er een grote verschuiving plaats in de samenstelling en ook de voederwaarde van de plant. De celwandverteerbaarheid bij blacklayer rijpheidsstadium komt voor alle rassen op 55% te liggen bij Tilly en Terry 48 uur. 33% bij 24 uur en mogelijk rond de 20% bijá 15 uur. Dit geldt voor alle rassen, zo is uit proeven gebleken. De vermeende verschillen in celwandverteerbaarheid blijken er niet te zijn. De verschillen die men in de proeven ziet zijn wellicht het resultaat van het oogsten van alle rassen op hetzelfde moment en daarmee voor veel rassen op het verkeerde (afrijpings)moment. Uit de Maisorama’s over 10 jaar is af te lezen dat de celwandverteerbaarheid, het zetmeelgehalte, de hoeveelheid celwanden, de opbrengst en de VEM-waarde in de verschillende rijpheidsstadia sterk verschillen. Een goede rassenvergelijking in proeven met gelijke oogsttijd, zoals dat overal gebeurd, is dan ook onmogelijk en voor de selectie en rassenkeuze van geen waarde.

De presentatie van de tabellen met VEM- en VOS-waardes en afgeleiden daarvan op basis van deze proeven zijn misleidend en kunnen we beter terzijde leggen. De beste kunnen wel eens de slechtste zijn en omgekeerd.

á

Introductie van de Maisanalizer«

Om die reden heeft KWS afgelopen jaren een nieuwe proefveldwerkingá en evaluatie voor Silomaisselectie, -evaluatie en -rassenkeuze gemaakt.

De grote mankementen die de huidige systemen in zich hebben worden hiermee opgelost.á De proefveldwerking bestaat in het nieuwe systeem uit een silomais- en een korrelmaisbeproeving. Het resultaat is dat van ieder ras de totale drogestofopbrengstpotentie van de totale plant en van alleen de korrel bepaald wordt.

á

De ratio van de twee geeft de Energie-Index of wel de energieconcentratie aan.

Het drogestofgehalte van de korrel geeft de werkelijke vroegrijpheid van de maisplant aan. De kleur van de balk van de totale drogestofopbrengst geeft de mate van Stay-green aan.

In ÚÚn oogopslag wordt er een beeld verkregen van de werkelijke genetische kwaliteiten van de rassen voor silomais en ook als korrelmais.

Daarnaast dienen natuurlijk ook de andere landbouwkundige eigenschappen zoals stevigheid, ziekteresistentie en tolerantie nog bekeken te worden.

Ook bij de evaluatie daarvaná speelt de verschillen in vroegrijpheid tussen de rassen een zekere rol.á

á

PS.: Bij het evalueren van de maisproefveldcijfers is het belangrijk om vooral de korrelmaisresultaten en de verschillen tussen de rassen op waarde te beoordelen. Met de korrelmaisopbrengsten wordt +/-90 % van de energetische waarde in beeld gebracht en daarmee het grootste gedeelte van de financiele opbrengst.


á
KWS