KWS
   
 

Nieuwe toprassen op de Aanbevelende Rassenlijst maļs 2017

Nieuwe toprassen op de Aanbevelende Rassenlijst maļs 2017

Intensief kweekwerk zorgt voor jaarlijkse vooruitgang in opbrengst

De tijd en het geld die veredelaars investeren in het verbeteren van maļsrassen levert jaarlijks een opbrengstverhoging in de teelt op van 1 tot 1,25%. De Nederlandse en Belgische Rassenlijsten noteerden in de periode tussen 1999 en 2016 om en nabij 2 ton meer korrelopbrengst (bij 15% vocht) per hectare. Dit is gebaseerd op onafhankelijke proefveldresultaten van de afgelopen 16 jaar in zowel Nederland als Belgiė en zijn de meest betrouwbare cijfers over alle maļsrassen. De gegevens rondom de snijmaļs omvatten een kortere periode en zijn bovendien onderverdeeld in vroege en middenvroege rassen. Al met al komt de vooruitgang de afgelopen 16 jaar ook bij de snijmaļsopbrengst op 9,5%. Omgerekend naar opbrengst op het veld betekent het 1 tot 1,5 ton meer korrelopbrengst per hectare.

Selectie op korrelopbrengst leidt ook tot hogere snijmaļsopbrengsten

Veredelen is vooral selecteren op korrelopbrengst. De korrel of meer nog het zetmeel uit de korrel levert de energie en is zo goed als 100% verteerbaar. Met het verbeteren van de verteerbaarheid in het algemeen en celwandverteerbaarheid in het bijzonder is geen vooruitgang te boeken. Uitgaand van het grootst gemeten verschil in celwandverteerbaarheid van 9% tussen 2 maļsrassen, een celwandaandeel in de maļs van 45% en een maļsaandeel in het rantsoen van 35%, wordt tussen de beide rantsoenen maximaal 1,4% (9x0.45x0.35) verschil in verteerbaarheid gemeten. Het is daarom geen wonder dat voederproeven met verschillende maļsrassen met enkel verschillen op basis van celwandverteerbaarheid dit niet significant weten te vertalen in verschillen in melk- of vleesproductie. De werkelijke prijs die veehouders betalen voor die weinig relevante verschillen in (celwand) verteerbaarheid is wel een ondubbelzinnig meetbaar verlies aan korrel- of zetmeelproductie van 8%. De Rassenlijst Korrelmaļs raadplegend komt zo’n opbrengsttekort van 8% overeen met ruim 1.000 kg korrel (16% vocht) per hectare! Kort gezegd: tegenover een maximaal voordeel bij het kiezen voor een ras met een hogere celwandverteerbaarheid staat een maximaal nadeel van ruim 1.000 kilogram opbrengst, afkomstig uit de korrel. Vandaar ook de terechte keuze in de praktijk voor snijmaļsrassen met een hoge korrelopbrengst.

Selecteren resulteert in vroeger en beter

Selectie betekent dus eerst ‘vroeger maken’ van het gewas, om het vervolgens ‘productiever’ te maken. Dankzij de veredeling naar nog vroegrijpere kolven is het goed mogelijk om in de noordelijke regio’s voldoende afrijping en daarmee voldoende zetmeelproductie te behalen. Wanneer de kweker aan de dwingende voorwaarde van voldoende afrijping binnen het geldende groeiseizoen heeft voldaan, ligt de weg open voor verdere selectie naar opbrengsttoename uit de korrel en daarmee extra zetmeel of extra krachtvoer van eigen bodem!