KWS
   
 

Zoveel mogelijk zetmeel......

KWS-maisrassen (met in het bijzonder Ricardinio) brengen 10 tot 15 % meer zetmeel per ha op dan de beste maisrassen van de rassenlijst voor snijmais.

Mais is in verschillende vormen een belangrijk voeder voor het vee.
Als snijmais, CCM en tegenwoordig ook als geplette mais.
Met name over het gebruik van snijmais gaan er veel verhalen rond over de voederwaarde.
Met name.... alleen de restplant is het onderwerp van de discussies en commerciele verhalen.
De één schrijft er een grote waarde aan toe, de andere een zeer beperkte.

Er worden laboratorium systemen aangeplakt die, zo zal blijken, zeer discutabel voor de waarde in de praktijk zijn. Verder is de invloed van het rijpheidsstadium bij de oogst dusdanig van invloed op de samenstelling dat vergelijking van rassen niet mogelijk is. Soms organiseert men voederproeven met vee en zelfs melkvee om zo een goede marketing story te hebben.
Echter technisch gezien kun je hieruit onmogelijk betrouwbare informatie halen. Het gerichte aandeel mais in het rantsoen, de verschillen in lactatie en de genetische verschillen van de dieren maken het onmogelijk. Alleen proeven met vele duizenden dieren zou een betrouwbare basis kunnen geven om statisch betrouwbare conclusies te kunnen trekken. En dan nog vermits er voldoende grote verschillen worden gemeten.

De koe haalt onegeveer 90% van de voederwaarde van de snijmais uit de korrel en bijna niets uit de restplant.
De korrel bestaat uit +/-75% uit zetmeel, 10% eiwit, 5-7% vet, wat as.
Deze is voor +/-90% in de koe verteerbaar.

De restplant bestaat voor 70 tot 80% uit celwanden. Daarvan is de 40 tot 45% cellulose, een zelfde hoeveelheid hemicellulose en +/- 2% lignine.
De hemicellulose en de cellulose zou in de koe verteerbaar zijn.

Maar daarvoor is er wel een incubatie tijd in de pens nodig van 60 tot 100 uur. Helaas is het verblijf beperkt tot slechts 8 tot 12 uur. Hier wordt er niet of nauwelijks wat van de cellulose en hemicellulose afgebroken en benut. 
Verder zit er in de restplant slechts een beperkte hoeveelheid eiwit +/-3 % en suiker afhankelijk van de rijpheid en kleur van het gewas.
Wel zit er heel wat fosfaat en kali in en vormt de lignine een belangrijk bemestingsbestanddeel (humus). Daarmee is de restplant voedingstechnisch (vanwege de structuur) niet veel meer dan een activator van de pens.
Daarnaast vormt het een grote ballast voor de hoogproductieve dieren,
Het neemt namelijk de plaats in van andere mogelijke hoogwaardige voedermiddelen.
Om die reden legt KWS al jaren lang de focus op de maximalisatie van de korrelopbrengst (=zetmeelopbrengst) per hectare.


Het resultaat is dat de KWS mais rassen 10 tot zelfs 20% meer korrelopbrengst(=zetmeel) per hectare opbrengen dan de beste maisrassen van snijmais rassenlijst. Een voor velen onbekend gegeven omdat de snijmaisrassen met opzet vaak niet als korrelmais beproefd worden.
Een onbekendheid die snel doorbroken moet worden.
Te hopen is dat de teler/gebruiker van snijmais beschikking krijgt over de potentiele korrelopbrengsten van alle aangeboden maisrassen . Ook die van de snijmaisrassen. Pas dan is er een redelijk goede rassenkeuze mogelijk.

Een eerste stap in de goede richting  is gemaakt  met celwandverteerbaarheidcijfers van het laboratorium niet meer op te nemen in de rassenevaluatie. Een tweede stap is nodig om ook het begrip VEM te schrappen. Hierin zit namelijk naast het zetmeel ook de discutabele waardering van de celwanden verwerkt.


Daarna blijft er voornamelijk nog het eiwit en het zetmeelgehalte over.
De elementen die werkelijk tellen voor het economisch resultaat.

 

 

 

 


 
KWS